DEEL 4 | De mijnramp van Marcinelle - de slachtoffers

In deze vierde aflevering brengen we de vier slachtoffers uit Begijnendijk en hun families onder de aandacht. Deze tragedie veranderde het leven van de nabestaanden voorgoed en liet diepe sporen na in onze gemeente en buurtgemeentes. Kunstenaars van collectief Kunst Loco Motief maakten een portret op basis van de foto van iedere overledene om hen te herdenken.

 

Inleiding

Woensdag 8 augustus 1956 kondigde zich aan als een dag zoals alle andere: Albert Goossens was voor dag en dauw met zijn bus in Berlaar vertrokken om mijnwerkers uit de regio van Aarschot op te halen om hen naar het ‘Pays Noir’ te voeren. Toen enkele uren later een dom ongeluk een kettingreactie in gang zette, duurde het nog een poos voor de buitenwereld besefte wat er aan hand was. Via de radio kwam het nieuws in de loop van de dag in de huiskamers binnen en bereikte zo ook de families van de ongelukkige mijnwerkers. De knagende onrust sloeg om in paniek toen de 'rammelbus' ’s avonds niet terugkeerde en duidelijk werd dat er iets grondig mis was in Le Bois du Cazier.

Vrij snel daagde het dat vier mijnwerkers uit Betekom bij de vermisten hoorden: Jozef Baumans (°24-07-1918), Jozef Caes (°30-12-1922), Albert Van Hoof (°16-12-1921) en Lodewijk Wouters (°28-02-1925). In Betekom en andere dorpen in de buurt heerste een diepe verslagenheid.

De vrouwen, kinderen en andere familieleden wilden niets liever dan zo snel mogelijk naar Marcinelle gaan om nieuws over het lot van hun geliefden te vernemen, maar auto’s waren toen nog een schaars goed, waardoor dit geen vanzelfsprekendheid was. In Marcinelle heerste er chaos en speelden zich hartverscheurende taferelen af aan het legendarische toegangshekken dat de mijn scheidde van de rest van het dorp.

Het nieuws dat Karel Wuyts (°12-04-1923) uit Begijnendijk samen met 6 andere mijnwerkers op de eerste dag kon gered worden, gaf aanvankelijk nog hoop. De volgende dagen zou de hoop stilaan omslaan in vertwijfeling toen enkel nog dode mijnwerkers naar boven gehaald werden.

 

De lift © An Claeys

 

De slachtoffers

Albert Van Hoof

Op 14 augustus werd het lichaam van Albert Van Hoof gevonden. Daags erop kwam het college van burgemeester en schepenen van Betekom bij elkaar voor een speciale zitting want alles diende in gereedheid gebracht te worden voor de begrafenis.

Albert Van Hoof was vader van 6 kinderen en werkte in verscheidene mijnen in Limburg en Wallonië voor hij in Marcinelle terechtkwam. In Le Bois du Cazier stond hij in voor het onderhoud van steengang ‘6 Paumes’ op 835 meter diepte. Hij was op 8 augustus terug aan het werk gegaan na een aantal dagen ziekte. Op 18 augustus werd Albert Van Hoof begraven op de gemeentelijke begraafplaats van Betekom onder grote publieke belangstelling.

© Albert Leys

© Denise Haegemans

© Greta Van der Cammen

© Siel Devlieghere

© Victor Draulans

 

Jozef Caes

Twee weken later was Betekom opnieuw in rouw. Op 30 augustus werd het stoffelijk overschot van Jozef Caes gelokaliseerd. Jozef Caes en zijn vrouw Stephania Gilis waren volop bezig met de bouw van hun nieuwe woning. De verhuis met hun drie jonge kinderen stond al gepland. Ook Jozef Caes had er al een carrière opzitten als mijnwerker in Limburg en Wallonië toen hij in Marcinelle terechtkwam. Als nagraver werkte hij op 975 meter diepte en samen met Jozef Baumans fungeerde hij als tolk voor de andere niet-Franstalige mijnwerkers.

De begrafenis van Jozef Caes op 4 september werd bijgewoond door een massa volk. Net zoals Albert Van Hoof lag hij opgebaard in de gemeentelijke jongensschool van waaruit een indrukwekkende rouwstoet naar de kerk wandelde tussen een erehaag van schoolkinderen.

© Albert Leys© Denise Haegemans© Greta Van der Cammen© Siel Devlieghere© Victor Draulans

 

Hoewel de aandacht van het grote publiek nadien stilaan begon weg te ebben en de mijnramp ook niet langer de voorpagina’s van de kranten haalde, gingen de reddingswerken onverminderd verder. De omstandigheden waarin de reddingswerkers moesten functioneren, waren bijzonder moeilijk. Geregeld werden nog stoffelijke resten van mijnwerkers gevonden, maar de identificatie kon vaak enkel aan de hand van persoonlijke bezittingen.

Op 19 januari 1957 werden op 715 meter diepte de lichamen gevonden van 9 mijnwerkers. De resten lagen onder steenpuin en waren zo verbrand dat ze onderling niet konden geïdentificeerd worden. Twee onder hen bleken de nog vermiste Jozef Baumans en Lodewijk Wouters te zijn.

 

Jozef Baumans

Jozef Baumans had helemaal niet in de ondergrond van Marcinelle hoeven te zitten. Na meer dan 15 jaar in Zwartberg gewerkt te hebben, werd hem een job bovengronds aangeboden als werver van nieuwe mijnwerkers. Baumans weigerde echter en in 1954 trok hij naar Marcinelle waar hij als ploegleider of ‘porion’ aan de slag kon. Hij was erg geliefd bij zijn mannen en velen onder hen volgden hem naar de nieuwe mijn, waar de lucht gezonder was en ze meer konden verdienen. De veiligheid liet echter te wensen over. Meer dan eens vertelde Baumans thuis tegen zijn vrouw en kinderen dat ze geen schijn van kans zouden hebben mocht zich een ongeval in de mijn voordoen. Niettemin bleef hij in de mijn afdalen om zijn mannen bij te staan.

© Albert Leys© Denise Haegemans© Greta Van der Cammen© Siel Devlieghere© Victor Draulans

 

Lodewijk Wouters

Lodewijk Wouters was één van hen. Ook hij werkte aanvankelijk in de Limburgse mijnen voor hij nadien zijn geluk beproefde in Wallonië. Hij was getrouwd met Yvonne De Roover en samen hadden ze een zoon. In de mijn was hij sleper, een zware job die onder andere het handmatig voorttrekken van de volgeladen bakken met steenkool omvatte.

© Albert Leys© Denise Haegemans© Greta Van der Cammen© Siel Devlieghere© Victor Draulans

 

Gezamenlijke plechtigheid

De 7 overige slachtoffers die samen met Jozef Baumans en Lodewijk Wouters gevonden werden, waren afkomstig uit Aarschot, Baal (2), Keerbergen, Rotselaar, Schriek en Tremelo. Op 7 februari 1957 vertrok vanuit het gemeentehuis van Betekom een brief naar de burgemeesters van die dorpen, waarin burgemeester Jan Nijs liet weten dat de 9 slachtoffers op 16 februari begraven zouden worden in Betekom. In samenspraak met de arrondissementscommissaris werden de nodige voorbereidingen getroffen om van de plechtigheid een waardig eerbetoon te maken. Alles werd uit de kast gehaald om zoveel mogelijk ‘gewone’ mensen als hoogwaardigheidsbekleders naar Betekom te halen, net als de pers.

Vroeg in de ochtend van 16 februari vertrokken meerdere legerwagens vanuit Marcinelle met 9 doodskisten, die amper menselijk resten bevatten. In de gemeentelijke jongensschool werd een rouwkapel ingericht. Honderden, misschien wel duizenden, mensen brachten tussen 09.00 en 11.00 uur een laatste groet. Tijdens de rouwmis werd de Betekomse pastoor de Roeck bijgestaan door hulpbisschop Monseigneur Schoenmaeckers. Na de mis ging de indrukwekkende stoet naar de begraafplaats, waar na een korte ceremonie en enkele toespraken de negen kisten toevertrouwd werden aan de aarde.

Een van de opgemerkte aanwezigen was Karel Wuyts. Na zijn redding op de dag van de ramp bleef hij nog gedurende een lange periode in het ziekenhuis om te herstellen. Na een poos in een andere mijn gewerkt te hebben, ging hij in april 1957 opnieuw aan de slag in Le Bois du Cazier. Na 22 jaar van mijnarbeid werd Wuyts invalide verklaard. De rest van zijn leven zou hij een zwakke gezondheid hebben als gevolg van de ramp en het werk in de mijn. Hij overleed in Begijnendijk op 7 april 1983, enkele dagen voor zijn 60ste verjaardag.

 

Steenkool © An Claeys

Het lokaal bestuur bedankt de kunstenaars van collectief Kunst Loco Motief voor het respectvolle eerbetoon aan de vier slachtoffers uit Begijnendijk. Achter ieder kunstwerk schuilt immers een mens, een familie en een levensverhaal dat nooit verloren mag gaan.

Elk jaar op 8 augustus organiseert het lokaal bestuur Begijnendijk in samenwerking met het lokaal bestuur Tremelo busvervoer naar Le Bois du Cazier te Marcinelle om de herdenkingsceremonie bij te wonen en zo de herinnering aan de slachtoffers levendig te houden.

.