DEEL 3 | De mijnramp van Marcinelle – het verhaal en ooggetuigenverslag

Een groot deel van het hieronder geschetste verloop van de ramp wordt verteld aan de hand van eerder gepubliceerd materiaal in combinatie met het onderzoeksrapport van de mijnramp [2]. Dit rapport is openbaar en dus voor ieder raadpleegbaar. Het verslag van de onderzoekscommissie (met minderheidsstandpunten en commentaren) is hier online terug te vinden.

Inleiding

In tegenstelling tot de rest van de eerder wisselvallige zomer beloofde het woensdagochtend 8 augustus een zonnige dag te worden. De zonnestralen vormden echter een schril contrast met de grauwe armoede van de grijze en stoffige arbeiderswijk in de onmiddellijke omgeving van Le Bois du Cazier.

In de mijn had de nachtploeg haar shift net beëindigd en ze werd nu afgelost door de kompels van de dagploeg die zich klaarmaakten om op hun beurt in de put af te dalen. In heel het bekken van Charleroi stonden die ochtend niet minder dan 25.000 mijnwerkers klaar om aan hun zware dagtaak te beginnen. Onder de kompels in de dagploeg van Le Bois du Cazier waren er ook bijna veertig Vlamingen, allemaal afkomstig uit de Zuiderkempen en het Hageland. Deze mannen uit de streek tussen Aarschot en Heist-op-den-Berg waren in hun respectievelijke woonplaatsen opgehaald door autocar-ondernemer Albert Goossens uit Berlaar.

 

De achtste augustus ben ik ’s morgens werken gegaan zoals gewoonlijk, goedgezind en vol moed. Mijn makker (…) stond mij reeds buiten op te wachten en (…) na enige minuten kwam de autobus van A. Goosens aangereden, die ons iedere dag kwam afhalen om ons naar Marcinelle te voeren. De stemming op de bus was slaperig, want er waren mannen bij die reeds van drie uur en half op de bus zaten, het beste wat men dan kan doen is nog een poosje slapen. Wij kwamen rond zes uur dertig op de Bois du Cazier aan en dan is het een drukte van belang, nummers halen, zich snel omkleden, de lamp gaan halen en dan lopen om de eerste kas [lift, nvdr] te hebben.  -  François Lowie

Om 7 uur waren de 274 mijnwerkers van de dagploeg klaar om af te dalen naar hun respectievelijke werkplaatsen. Omstreeks 8 uur was iedereen op zijn arbeidsplaats gearriveerd en kon de productie beginnen.

Ikzelf werkte op verdieping 765 m. waar enkel Vlamingen tewerkgesteld waren, maar omdat mijn plaats in de koolpijler ongeveer in de helft gelegen was, ging ik altijd langs etage 715 m. Dat was voor mij en nog een paar makkers veel gemakkelijker. Die rampzalige dag gingen we weer met de tweede kas naar beneden, tot op de etage 715 m. waar wij met acht man uitstapten, vandaar ging onze weg verder door een stenen gang die naar de koolpijler leidde, ongeveer vierhonderd meter verwijderd van de schacht.  -  François Lowie

Infokaart Marcinelle | Bron: IOEDwinAr
 

Op de verdieping 975 werkten onder andere de Italiaan Antonio Iannetta en zijn helper de Belg Gaston Vaussort. Iannetta was encageur of kooiman en Vaussort aide-encageur. Beiden waren op deze verdieping belast met de evacuatie van de volle en de lege wagonnetjes, die door hen in en uit de lift van de extractieschacht (Schacht 1) moesten geschoven worden.

Iannetta, een jonge Italiaan van 31 die een viertal jaren voordien vanuit de omgeving van Rome naar België was geëmigreerd, sprak echter slechts gebrekkig Frans, een feit dat later aanleiding zou geven tot het ontstaan van één van de versies van het drama dat op het punt stond om zich te voltrekken. Bovendien was de verbinding tussen de encageurs op de verdieping 975 en de bovengrond, zoals vele zaken in de mijn van Le Bois du Cazier, vrij primitief: een seinsysteem met bellen en een telefoon die werd bediend door de hulp-kooiman Gaston Vaussort. Bij het onderzoek na de ramp zou de man die bovengronds de lift bediende, Henri Antignac, later getuigen dat hij alleen met Vaussort kon communiceren omdat het Frans van Antonio Iannetta te slecht was en de Italiaan van zijn kant ook maar zeer weinig van zijn Waals dialect begreep. Wat er die morgen rond 8.10 uur precies fout liep op verdieping 975 is iets waarvan enkel encageur Iannetta en aide-encageur Vaussort voor honderd procent de ware toedracht kennen. Gaston Vaussort zou de mijnramp echter niet overleven en aan de verklaringen van Antonio Iannetta werd later door velen ernstig getwijfeld.

Maar wat ging er dan iets over achten precies mis met de lift op verdieping 975, waardoor er een fatale kettingreactie op gang kwam die de ganse mijn in vuur en vlam zou zetten en uiteindelijk het leven zou kosten aan 262 van de 274 kompels die ‘s ochtends in de mijn van Le Bois du Cazier waren afgedaald? Volgens Iannetta ging hij rond acht uur even weg van de lift om een wagonnetje geladen met hout een veertigtal meter verder te duwen. Bij zijn terugkeer had hij aan zijn helper Vaussort gevraagd of hij een wagonnetje met kolen in de lift mocht inkooien, waarop deze bevestigend had geantwoord. Later zou er echter aan getwijfeld worden of Vaussort werkelijk de toestemming om het volle wagonnetje in de lift te duwen zou bevestigd hebben, ja zelfs of de hulp-kooiman echt op die plaats aanwezig was geweest op het moment dat Iannetta aan zijn fatale manoeuvre begon.

 

Wat er ook van zij, toen de Italiaan het volgeladen wagonnetje in de liftkooi duwde deed er zich een probleem voor met het lege wagonnetje dat zich al in de kooi bevond. Normaal werkte het mechanisme simpel en feilloos: elk wagonnetje dat de lift werd ingeduwd duwde het lege wagonnetje er aan de ander kant van de lift uit. Nu gebeurde dit echter niet: een defecte stuitnok zorgde ervoor dat het volle wagonnetje in zijn rit werd geblokkeerd door het lege wagonnetje dat het normaliter uit het compartiment moest drijven. Beide wagonnetjes bleven daardoor voor een deel (ca. 35 centimeter) buiten de liftkooi steken.De machinist bovengronds in de mijn –zich niet bewust van het mankement en in de mening dat alles normaal verliep – had immers de motoren van de lift terug in werking gezet, waardoor deze in volle vaart naar boven schoot. De uitstekende wagonnetjes werden brutaal mee omhoog getrokken, rukten een stalen balk af en sleurden deze eveneens mee de hoogte in. De balk vernielde op zijn beurt in de liftschacht de telefoonleidingen, twee elektrische hoogspanningskabels van elk 3.000 volt, de oliedrukleiding van de hydraulische balans van de lift en de persluchtleiding die het ondergronds ingezette pneumatisch materieel voedde. In een fractie van een seconde ontstond er nu een dodelijke cocktail: wat begon als een gewoon inkooiïngsincident groeide snel uit tot een ware ramp. De beschadigde elektrische kabels zorgden voor kortsluiting en de bogen van vonkende elektriciteit die hierdoor werden gevormd deden de circa 800 liter vernevelde olie van de liftbalans en het houtwerk van de schacht onmiddellijk vuur vatten.

Vooraleer te beginnen werken werd er nog een hapje gegeten, dan ging de een na de ander de koolpijler binnen, naar onze plaats, om te beginnen werken. Als wij reeds een tijdje bezig waren, werd plots de geperste lucht waar onze afhouwhamers mee werken, afgezet, daar werd echter geen acht op gegeven, omdat zoiets meermalen voorviel. Ik maakte van die kleine pauze gebruik om wat hout te zoeken, dat nodig is om het dak te onderstutten en toen begon het drama. Er kwam een beetje rook van verbrand hout de pijler binnengedreven die prikkelend werkte op de adem, ’k had nog steeds geen gedacht dat er iets ernstigs was gebeurd, evenwel een paar ogenblikken later kwam de rook in dichte drommen binnengedrongen.  -  François Lowie

 

Het vuur greep als een razende om zich heen en in het schijnsel van hun mijnlampen merkten de mijnwerkers in de ondergrond al vlug hoe de gangen zich begonnen te vullen met een dichte rook vol koolmonoxide. Het giftige gas verspreidde zich via het verluchtingscircuit in geen tijd in alle galerijen. De dodelijke valkuil sloot zich onverbiddelijk. Terwijl men zich boven nog niet bewust was van de omvang van de catastrofe, stierven ondergronds de meeste mijnwerkers van de dagploeg een snelle dood, verstikt door de giftige rook.

De angst sloeg mij om het hart, mijn eerste gedacht was vluchten, maar ... waar naartoe, langs welke weg kwam men ’t beste uit de verstikkende rook, ik riep uit alle macht naar mijn kameraad Karel Wuyts die onder mij werkte, ‘Langs waar gaan wij lopen?’ Ik kreeg echter geen antwoord.  -  François Lowie

Pas om 8.25 uur, op het moment dat Iannetta, de encageur van verdieping 975, via de afvoerschacht voor de vuile lucht (Schacht 2) de bovengrond bereikte en alarm sloeg, ging de mijndirectie beseffen dat er iets ernstig was misgelopen en dat de kompels beneden in de mijn in zeer groot gevaar verkeerden.

De reddingacties bovengronds kwamen stilaan op gang en begon men zich onder leiding van Adolphe Calicis, de hoofdingenieur en directeur der werken in de mijn, te organiseren. Ook Angelo Galvan, de Italiaanse chef porion van de nachtploeg, die pas was thuisgekomen en op het punt stond te gaan ontbijten, werd opnieuw opgeroepen. Galvan was immers een geoefende redder en kende de ondergrond van de mijn als geen ander. Hij zou als Le Renard du Cazier de geschiedenis ingaan, omdat hij zich met zijn tengere gestalte en amper 60 kilo als een vos door de nauwste gaten en mijngangen kon wringen. De eerste redders gingen kort na 8.30 uur met dezelfde kooi waarmee de zes kompels zich hadden kunnen redden in de afvoerschacht naar beneden om hulp te gaan bieden aan de ingeslotenen.

 

Illustratie | Bron: Jean-Louis DELAET, Alain FORTI en Francis GROFF, Le Bois du Cazier. Marcinelle, Brussel, 2003 (herwerkt)

Maar op een diepte van 900 meter gekomen moesten zij – niet voorzien van zuurstofmaskers – al snel terug naar boven omwille van de dichte rook die ook hun dreigde fataal te worden. Bij een tweede poging – ditmaal mét Dräger-zuurstofapparaten – geraakten de redders wel tot op verdieping 1.035, maar slaagden er daar niet in om de liftkooi te verlaten. Andermaal bereikten zij slechts op het nippertje terug de bovengrond. Toen ze aanstalten maakten voor een derde poging, sloeg het noodlot opnieuw toe. Rond 9.10 uur bereikte de ondergrondse brand ook de schacht voor de afvoer van de gebruikte lucht (Schacht 2) en maakte deze op zijn beurt onbruikbaar. Door de intense hitte braken hier nu de kabels van de twee liftkooien die respectievelijk om 9.30 uur en 10.15 uur met een donderend geraas in de schacht naar beneden ploften. Na de extractieschacht (Schacht 1), die al geblokkeerd was sedert het inkooiïngsincident van Iannetta, was nu ook de schacht voor de luchtafvoer (Schacht 2) niet meer toegankelijk. Daarmee was voor de ongelukkigen beneden in de mijn de dodelijke valkuil nu helemaal dicht.

(…) Ik ben dan beginnen te kruipen op handen en voeten naar boven, op dezelfde weg waar ik een uur tevoren ben afgekomen. De rook was toen reeds zo geweldig, dat men geen hand voor de ogen kon zien, mijn adem ging toen reeds hortend en stotend, alhoewel ik een stofmasker ophad, met de moed der wanhoop sleepte ik mij voort, kwam er dan geen einde aan die koolpijler, na een tijdje die mij eindeloos leek kwam ik toch terecht in de stenen gang, waar zich reeds een twintigtal Vlamingen verzameld hadden. Allen wisten toen al dat de toestand waarin wij ons bevonden ernstig was of misschien hopeloos. De opzichter, Jozef Baumans, bevond zich ook onder de mannen en riep ons toe: ‘jongens als wij hier blijven zitten, zijn we reddeloos verloren, allen zo rap mogelijk naar de schacht’. ... De vraag die mij nog alle nachten kwelt en waar ik nooit een antwoord zal op krijgen, wat is er met mijn kameraden voorgevallen die bij mij waren op etage 715 m, waar zijn ze gelopen in hun onbeschrijflijke wanhoop? Zijn ze gaan zoeken naar een uitgang die er niet meer was? Hebben ze geleden of was hun dood pijnloos? Zouden ze nog de tijd gehad hebben om aan vrouw en kinderen te denken? Of zijn ze plots gevallen zoals ik, maar dan om nooit meer op te staan? Wie zal mij ooit op deze vragen antwoorden, helaas niemand, want doden spreken niet, die nemen hun geheim met zich mede.  -  François Lowie

Op het moment dat de tweede mijnschacht – één uur na het fatale incident op verdieping 975 – zwarte rook begon te braken in de blauwe hemel boven Marcinelle, werd het ook voor de omwonenden van de mijn duidelijk dat er iets ernstigs was gebeurd in de ondergrond van Le Bois du Cazier.

De opgetrommelde redders en de teruggekeerde kompels van de nachtploeg waren ondertussen aan de slag gegaan om te trachten met de enige nog bovengronds intact gebleven liftkooi van de extractieschacht (Schacht 1) de verbinding met hun makkers in de ondergrond te herstellen. Daartoe moest er ter vervanging van de door de hitte gesmolten liftkabels eerst een nieuwe kabel gelegd worden, ook over de hoge wielen boven de mijnschacht, een werk dat normaal bijna een volle dag in beslag nam. De mannen werkten echter als bezetenen en na nauwelijks drie uur zwoegen waren de kabels en liftkooi om 12u10 klaar. Zonder tijd te verliezen daalden directeur Calicis, Angelo Galvan en nog een derde redder af in de mijnschacht waarin beneden de vlammenzee woedde. De ondertussen gearriveerde brandweer had echter inmiddels al tonnen water in de extractieschacht gespoten in de hoop daarmee het vuur te kunnen doven. Hierdoor stootten de drie mannen onderweg op een bepaald moment op een gloeiend hete stoomwolk, die hun alle verdere doorgang onmogelijk maakte en tot een snelle terugtocht dwong. Slechts met veel moeite bereikten ze terug de bovengrond, Calicis met brandwonden in de nek en Galvan aan een been.

Terwijl de drie mannen bekwamen van hun emoties en terug op krachten probeerden te komen voor een nieuwe poging, was er ondertussen een nieuw plan gerijpt. Naast de twee geblokkeerde schachten was er immers nog de in aanbouw zijnde derde schacht, die de Foraky was gedoopt – naar de naam van de gespecialiseerde firma die belast was met de uitgraving – en die op het ogenblik van het ongeluk al tot op een diepte van 880 meter was afgewerkt. Tussen deze nieuwe schacht en de extractieschacht/aanvoerschacht van verse lucht (Schacht 1) waarin het ongeluk was gebeurd, had men in de voorbije weken enkele verbindingsgangen uitgegraven, maar deze waren om veiligheidsredenen en wegens de infiltratie van het gevaarlijke mijngas afgekeurd en afgedicht met beton. Toch had men op een diepte van 835 meter een mangat in de betonmuur gelaten, dat was afgedicht met een gepantserde stalen deur. Wellicht was er langs die weg een mogelijkheid om in de mijn te geraken en de ingesloten kompels te redden?

In de nieuwe schacht was er echter nog geen lift en daarom werden enkele redders met behulp van een schachtton aan een kabel met een lier in de Foraky naar beneden gelaten. Aan de stalen deur gekomen stuitten ze echter op een fameuze hindernis. Het mangat in de muur van gewapend beton was te klein om er een redder met een Dräger-zuurstofapparaat te kunnen doorlaten. Met veel moeite slaagden de mannen erin om de plaat los te schroeven, want de bouten waren al gloeiend heet, en de eerste reddingswerker wurmde zich zonder zuurstofapparaat door het mangat. Na enkele meters in de gang aan de andere kant van de betonmuur stuitte hij al onmiddellijk op het kadaver van een dood paard en wat verder op een eerste lichaam van een mijnwerker, en nog één en nog één… Het waren de Italiaanse broers Iezzi en de Vlaming Louis Opdebeeck, neergehurkt tegen de muur van de gang. Voor hen kon echter geen hulp meer baten, ze waren alle drie dood door verstikking. Maar de hitte en de dichte rook waren zo intens dat er zonder zuurstofmasker voor de redder niets anders op zat dan op zijn stappen terug te keren en opnieuw door het enge mangat naar de veilige kant van de gang te kruipen.

Rond 14 uur slaagden de redders en dan uiteindelijk in om het mangat met dynamiet op te blazen en de doorgang groter te maken. Een team van vier redders met Dräger-zuurstofapparaten onder leiding van Philippe Dassargues, een ingenieur van het Mijncorps, ging nu op verkenning in de mijn en vond al snel op de verdieping 765 drie Vlamingen die op miraculeuze wijze in de luchtsteengang de ramp hadden overleefd. Het waren Albert Peers, woonachtig te Nalinnes, maar afkomstig uit Petegem-aan-de-Leie (Deinze), Karel Wuyts uit Begijnendijk en Louis Saluyts uit Itegem. Op het moment dat deze uitgeputte mannen rond 15 uur naar boven werden gebracht, herleefde bij de redders en de families van de ingesloten kompels de hoop: 'Als deze drie mannen de ramp hebben overleefd, waarom dan ook niet alle andere?'. En inderdaad, ongeveer op hetzelfde moment vonden Adolphe Calicis, Angelo Galvan en nog een derde redder, die nadat hun brandwonden waren verzorgd opnieuw in de aanvoerschacht voor verse lucht (Schacht 1) waren afgedaald, bij de laadplaats op niveau 715 drie andere mijnwerkers die nog in leven waren. Het waren François Lowie uit Berg (Kampenhout), de amper 18-jarige Alfons Vandeplas uit Rotselaar en Alfons Vereecke uit Beerzel (bij Heist-op-den-Berg), die onder een omgekanteld mijnwagonnetje beschutting hadden gezocht. Ook zij hadden zich kunnen redden door hun grote zakdoeken in water te drenken en voor hun neus en mond te houden.

Hoelang we daar nog gelegen hebben weet ik niet, ik had in elk geval alle hoop op redding opgegeven en mij gereed gemaakt de lange weg naar de eeuwigheid in te gaan. Plots werden wij opgeschrikt, we hoorden stemmen van mensen en het rammelen van een lift die naar beneden kwam. Dat geluid klonk als muziek in onze oren, dat betekende immers redding en leven voor ons. Als waanzinnigen begonnen wij te roepen: Hierheen! Hierheen! We werden dadelijk gehoord, de lift kwam op etage 715 m. tot stilstand, twee redders stormden de lift uit waarna een van hen wenend bij ons neerknielde. Wat er op dat ogenblik, naargelang wij dichter aan de oppervlakte kwamen in mijn gedachten omging, is mij onmogelijk te beschrijven. Dan ineens kwamen wij aan de oppervlakte, waar de zon heerlijk scheen, als in een droom keek ik om me heen, ik huilde en lachte ... ik was gered!  -  François Lowie

Tijdlijn Marcinelle
 

Het was ondertussen 16.30 uur geworden. In totaal waren er tot nu 13 mijnwerkers aan het inferno in de mijn van Le Bois du Cazier ontsnapt: Iannetta, de zes die via in de lift van de afvoerschacht op eigen houtje erin geslaagd waren om de bovengrond te bereiken en de twee groepjes van telkens drie man die op het nippertje door de reddingsteams op het niveau 715/765 waren ontdekt. De redders wisten het op dat moment nog niet, maar dit handjevol mannen zouden de enigen zijn van de 274 mijnwerkers van de ochtendploeg die de catastrofe van Marcinelle zouden overleven.

Op het einde van die rampzalige 8ste augustus 1956 werd rond 21.30 uur ook nog Germain Wilmart, met zijn de 59 jaar de ouderdomsdeken van de kompels in de mijn, vanop het niveau 170 levend boven gehaald, maar hij zou ondanks de hem toegediende zorgen kort daarop overlijden in de armen van Geneviève Ladrière, de sociaal assistente van de mijn. Voor de andere nabestaanden aan de mijnpoort begon nu het lange, bange wachten. Ook de familieleden van de Vlaamse mijnwerkers pendelden in de volgende dagen en weken iedere dag tussen hun woonplaats en Marcinelle om zo dicht mogelijk bij hun geliefden te zijn en in de hoop zo spoedig mogelijk enig nieuws over hun lot op te vangen.

In de twee volgende weken zouden de uit alle Belgisch mijnbekkens (Henegouwen, Luik en Limburg) toegesnelde redders, samen met hun Franse, Duitse en Nederlandse collega’s, alleen nog dode kompels uit de ondergrond naar boven halen. Telkens wanneer dit gebeurde gaf dit aanleiding tot hartverscheurende tonelen aan de mijnpoort wanneer het droeve nieuws aan de familieleden moest worden gemeld. Galerij na galerij gaf de mijn van Marcinelle haar sinistere geheimen prijs. In de nacht van 22 op 23 augustus 1956, nadat een reddingsploeg was teruggekeerd van verdieping 1.035, sprak Angelo Berto, één van de redders die op 8 augustus drie overlevenden had bovengehaald, dan de verschrikkelijke woorden die alle hoop de bodem insloegen en die via de media de hele wereld zouden rondgaan: ‘Tutti cadaveri’

 

De mijn van Le Bois du Cazier had een zeer hoge tol geëist. 262 mijnwerkers hadden de ramp niet overleefd: 136 Italianen, 95 Belgen (onder wie 33 Vlamingen), 8 Polen, 6 Grieken, 5 Duitsers, 5 Fransen (waarvan 3 van Algerijnse origine), 3 Hongaren, 1 Engelsman, 1 Rus, 1 Oekraïner en die ene Nederlander, Jan Stroom, die bij het begin van de brand naar beneden was gegaan om zijn kameraden te waarschuwen voor het gevaar. De stoffelijke overschotten van sommige slachtoffers werden pas vele maanden na de ramp teruggevonden [3]. De tragedie had 248 families in diepe rouw gedompeld en 417 kinderen waren plotsklaps wees geworden.

 

Met dank aan Coll. Le Bois du Cazier voor de foto's, Marie Louise De Roeck voor inhoudelijke ondersteuning en Celest Luyten voor de grafiek.

 


[1] Lowie F., Marcinelle, Bois du Cazier, etage 715 m. Een getuigenverslag. In: Brood en rozen. Tijdschrift voor de geschiedenis van sociale bewegingen, 2006, 3, p. 61-69.


[2] Koninkrijk België. Ministerie van Economische Zaken. Verslag van de Commissie belast met het onderzoek naar de oorzaken van de ramp van 8 augustus 1956 in de Kolenmijn Bois-de-Cazier, Brussel, juni 1957, blz. 8-27; De ramp van Marcinelle en haar weerklank in Hageland-Zuiderkempen, in: ACV-Betekom (Uitg.), 30 jaar na de mijnramp. Marcinelle 8-8-56 – Betekom 14-9-86, Betekom, 1986, blz. 9-18; G. FONTEYN, De trein der schande, Groot-Bijgaarden, z.d., blz. 83-88; F. GROFF, La tragédie, in: .J.-L. DELAET, A. FORTI en F. GROFF, a.w., blz. 79-101; Een vergissing van de kooiman, in: G. FONTEYN, Afscheid van Magritte. Over het oude en nieuwe Wallonië, Antwerpen-Amsterdam, 2004, blz. 183-195; 1956, 8 augustus. Marcinelle, om acht uur in de ochtend. Mijnramp in de Bois du Cazier, in: Chr. DEGLAS, Rampen in België, Tielt, 2005, blz. 88-97.


[3] In 2022 werd het dossier zelfs opnieuw heropend met het oog op bijkomende onderzoeken aan de hand van DNA (infra).