DEEL 2 | Marcinelle verleden en heden – wat is een steenkoolmijn?

De sluiting van de laatste nog actieve Waalse mijnzetel – de Roton te Farciennes op 30 september 1984 – en van de laatste Limburgse steenkoolmijn – die van Zolder precies acht jaar later op 30 september 1992 – ligt ondertussen al meer dan een generatie achter ons. Daarmee kwam er een even abrupt als definitief een einde aan meer dan acht eeuwen steenkoolontginning in onze gewesten.

Jammer genoeg vervaagt daardoor ook bij het grote publiek het besef van het enorme belang dat de steenkoolindustrie heeft gehad voor de economische ontwikkeling van ons land in de loop van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Velen kunnen zich nog nauwelijks iets voorstellen bij het zware en gevaarlijke labeur van generaties mijnwerkers die vaak ten koste van hun leven of hun gezondheid mee aan de basis lagen van onze huidige welvaart.

Om te kunnen begrijpen wat er zich op die fatale 8ste augustus 1956 heeft afgespeeld in de ondergrond van de mijn van ‘Le Bois du Cazier’ te Marcinelle is een korte uitleg over de werking van een steenkoolmijn hier dan ook zeker op zijn plaats.

Van veen via turf naar antraciet

De West-Europese steenkool is hoofdzakelijk gevormd tijdens het Carboon, en meer bepaald in het Westfaliën (ca. 313–304 miljoen jaar geleden). In deze periode bevond West-Europa zich in een tropisch, laaggelegen kustgebied waar uitgestrekte moerasbossen voorkwamen.

Steenkool ontstaat uit plantaardig organisch materiaal dat zich ophoopt in zuurstofarme moerasomgevingen. Door het gebrek aan zuurstof wordt het organisch materiaal niet volledig afgebroken en vormt zich veen. Wanneer deze veenlagen bedekt raken door sediment (zoals zand en klei), bijvoorbeeld als gevolg van overstromingen, delta-afzettingen of zeespiegelvariaties, worden ze begraven. Nadien kan zich opnieuw een moeras ontwikkelen, waardoor het proces zich herhaalt. Zo ontstaat een afwisseling van veenlagen en sedimentlagen.

 

afbeelding

Door voortschrijdende begraving nemen druk en temperatuur geleidelijk toe. Dit leidt tot fysisch-chemische veranderingen waarbij water en vluchtige bestanddelen (onder andere methaan) worden uitgedreven en het relatieve koolstofgehalte stijgt. Dit langzame omzettingsproces staat bekend als het inkolingsproces (coalificatie). Daarbij evolueert het materiaal van veen (of turf) via bruinkool en (sub)bitumineuze steenkool naar antraciet, de koolsoort met het hoogste koolstofgehalte.

Hoewel het koolstofgehalte sterk toeneemt tijdens dit proces, ontstaat er geen diamant. Diamant vormt zich onder extreem hoge druk- en temperatuuromstandigheden diep in de aardmantel en niet uit sedimentaire steenkoollagen. In sommige steenkoollagen zijn fossiele plantenstructuren — zoals afdrukken van varens, schubbenbomen en paardenstaarten — nog herkenbaar, wat het organische oorsprongsproces bevestigt.

Na hun vorming zijn steenkoollagen onderhevig geweest aan tektonische processen en werden de oorspronkelijk horizontaal afgezette lagen geplooid, gebroken en gekanteld, wat vandaag de dag zichtbaar is in voormalige mijnbekkens in onder meer België, Nederland en Duitsland.

De ontginning

De twee basismethoden voor de winning zijn dag- en schachtbouw. De diepte van de steenkoollaag onder het maaiveld is leidend voor de keuze. Ligt de steenkool relatief dicht tegen de oppervlakte dan wordt de dagbouwmethode toegepast: de afdeklaag wordt afgegraven tot de steenkool wordt bereikt. De steenkool wordt dan ontgonnen met grote kranen en getransporteerd voor verdere verwerking. Zit de steenkool dieper in de grond zoals bij ons het geval is, dan wordt een verticale schacht in de grond gegraven. Is het niveau van de steenkoollaag bereikt dan worden vervolgens horizontale gangen gemaakt om de steenkool te winnen. De steenkool wordt dan machinaal met perslucht losgemaakt en getransporteerd naar de schacht. In de schacht zijn het de liften die de kolen naar boven brengen. De schachten doen ook dienst om het personeel en andere benodigd materiaal laten afdalen.

 

afbeelding

Een journalist (links) op bezoek bij de mijnwerkers – bron: © Désiré Deleuze


De moderne steenkoolmijnen, zoals ze in de loop van de 19de eeuw geleidelijk aan tot stand kwamen, groeiden uit tot echte ondergrondse fabrieken waarbij de soms vrij geringe oppervlakte van de bovengrondse installaties amper liet vermoeden welke kilometers lange en zeer ingewikkelde gangenstelsels eronder schuil gingen. Een steenkoolmijn is een wereld op zich die tegelijkertijd fascinerend, gevaarlijk en complex is.

Hoe kwam nu zo’n ondergrondse fabriek tot stand en welke waren de voornaamste ‘onderdelen’ van een moderne steenkoolmijn? Nadat men eerst via voorafgaande proefboringen de aanwezigheid en de juiste ligging van rijke steenkoolhoudende lagen had vastgesteld, werden er vervolgens op enkele tientallen meters van elkaar twee verticale schachten . Deze schachten worden dan later gebruikt om enerzijds de mijnwerkers en hun materieel in de mijn te laten afdalen en de gedolven steenkool naar boven te brengen en anderzijds om de permanente ventilatie van de ondergrondse werken te verzekeren.

 

afbeelding

Foto – Marcinelle rond 1990 met links de schachtbok, bron: album Boland


Men had dus enerzijds de ‘intrekkende schacht’ voor de aanvoer van verse lucht – in Le Bois du Cazier was dit ook de extractieschacht waarlangs de gedolven steenkool naar boven werd gebracht – en anderzijds de ‘uittrekkende schacht’ waarlangs de vuile lucht, door de krachtige bovengrondse hoofdventilatoren weggezogen, de mijn verliet.

Boven ieder mijnschacht bevond zich de enorme schachttoren of ‘schachtbok’ waarlangs de liftkooien, opgehangen aan dikke kabels, over reusachtige wielen en aangedreven door zware elektrische motoren naar beneden in de mijn konden worden gelaten en terug opgehaald. De liftkooien zelf bestonden uit meerdere ‘verdiepingen’ en gleden langs een soort rails die ervoor zorgden dat ze tijdens het afdalen in de mijn of het terug ophalen precies op hun plaats bleven. Tegen de wanden van de schachten liepen ook nog de leidingen van de verschillende nutsvoorzieningen: de hoogspanningskabels van het elektriciteitsnet, de leidingen met perslucht die het pneumatisch materieel aandreven waarmee de steenkool werd ontgonnen, de telefoonleidingen en in Le Bois du Cazier ook de oliedrukleiding van de hydraulische balans van de liften. Dat al deze leidingen zo kort bij elkaar lagen kon echter gemakkelijk aanleiding geven tot gevaarlijke toestanden, zoals we zullen zien in een van de volgende afleveringen gewijd aan de oorzaken en het verloop van de tragische mijnramp van Marcinelle.

 

afbeelding

Tekening – bron: Jean-Louis DELAET, Alain FORTI en Francis GROFF, Le Bois du Cazier. Marcinelle, Brussel, 2003, herwerkt

Vanuit deze verticale schachten werd op verschillende diepten een zeer ingewikkeld systeem aangelegd van in de grondmassa uitgedolven horizontale verdiepingen of galerijen, waarvan er sommigen rechtstreeks de koollagen bereikten. De dikte van deze kolenlagen kon variëren van enkele centimeters tot verschillende meters.

Op deze punten werden dan verder andere horizontale galerijen gegraven, adergalerijen genoemd. Hiervan werden er twee galerijen van verschillende diepte met elkaar verbonden door een volledig in de kolen uitgedolven hellende doorgang. Deze doorgang, gelegen in de kolenader zelf, zou de plaats van de kolenwinning worden en werd daarom de front of pijler genoemd. Gespecialiseerde arbeiders begonnen dan het kolenfront te bewerken met behulp van afbouwhamers of van andere machines. De uitgehakte kolen werden vervolgens over riemen en schudgoten of met andere transportmiddelen vervoerd tot op de plaats waar zij mechanisch in wagentjes werden gestort. De ontgonnen kolen werden dan naar de extractieschacht geleid en vandaar met de krachtige liften naar de bovengrond gebracht.

Wanneer de steenkool dan boven kwam, begon daar het proces van het wassen en sorteren. Hierbij werd de steenkool ook ontdaan van alle onzuiverheden, gezift in verschillende groottes of eventueel omgevormd en geperst tot briketten of andere formaten.

De kompels of mijnwerkers

Slechts weinigen realiseren zich dat achter de algemene verzamelnaam ‘mijnwerker’ een veelheid aan zeer verscheiden functies schuilging. Om een moderne steenkoolmijn uit te baten waren er immers tal van beroepen nodig. Zo kan men bijvoorbeeld op een lijst van functies van het personeel van de N.V. Kempense Steenkoolmijnen uit 1979 niet minder dan 74 ondergrondse en 151 bovengrondse functies terugvinden[1]. Er werd dus vooreerst al een belangrijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds de ‘ondergronders’ en anderzijds de ‘mannen van den dag’ of de ‘bovengronders’. De eersten verdienden meer en waren tevens op jongere leeftijd pensioengerechtigd. ‘Ondergronders’ mochten al na 25 jaar dienst op pensioen. Op de bovengrond moest men werken tot 65 jaar. De keerzijde van de medaille was natuurlijk het veel zwaarder en ongezonder werk en het groter risico op ongevallen en beroepsziekten voor wie beneden in de mijn actief was. Vele ondergrondse mijnwerkers haalden daardoor niet eens de leeftijd van 65 jaar!


[1] N.V. Kempense Steenkoolmijnen. Lijst der Funkties – Ondergrond. Alfabetisch. Paritair vastgelegde opleidingstermijn, kategorie en loonkoëfficiënt. Lijst der Funkties – Bovengrond – Per kategorie, dd. 01/12/1979. Wij danken de heer Albert Hermans, secretaris ACV Energie-Chemie te Hasselt, die ons deze lijst bereidwillig ter beschikking stelde.