DEEL 1 | Marcinelle verleden en heden – van economisch centrum tot museum

Hoezo Marcinelle?

Achteloze passanten zullen het amper merken maar her en der verwijzen enkele kunstwerken in Betekom naar de gebeurtenissen in Marcinelle. Maar waarom staan die kunstwerken daar? Welk verhaal zit er achter en waarom schenken we er als gemeentebestuur zoveel aandacht aan?

                                afbeelding            afbeelding


De reden is heel eenvoudig: Marcinelle, een deelgemeente van Charleroi, was op 8 augustus 1956 het toneel van de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis. In de ramp lieten verschillende gouwgenoten het leven.

In deze reeks geven krijg je in vijf afleveringen wat meer inzicht in die gebeurtenissen en leggen we het belang uit voor onze regio en voor Begijnendijk in het bijzonder. We staan ook stil bij enkele persoonlijke verhalen. De reeks is gebaseerd op teksten van verschillende auteurs en zal eind 2026 leiden naar een meer uitgebreide publicatie. Dit alles kadert in de 70ste verjaardag van de gebeurtenissen in Marcinelle

In de eerste aflevering gaan we dieper in op de achtergrond van de mijnbouw in en rond Marcinelle, het zogenaamde Pays Noir. We vertellen het verhaal van de Waalse steenkoolindustrie en de niet te onderschatten rol die onze regio daarin speelde.

Leden van de redactieraad: Geert Andries (GADC), Frans Wijns, Soerayka Wijns, Johan Breugelmans (HAKVH), Vic Bernar, Tuur De Bruyn (IOED WinAr) en Tim Vanderbeken (IOED WinAr).


Le Pays Noir, een economisch centrum met een lange geschiedenis

Le Pays Noir bekleedde een belangrijke plaats in de geschiedenis van de Waalse steenkoolindustrie rond Charleroi. Het was niet alleen de regio van de bekende mijn van Le Bois du Cazier te Marcinelle, maar ook van Le Roton te Farciennes – de laatste kolenmijn in Wallonië, die pas in 1984 de poorten sloot – en van de S.A. des Charbonnages de Monceau-Fontaine, die ooit de belangrijkste steenkoolmaatschappij in België was.


                           afbeelding           afbeelding  


Van cayats tot steenkoolmaatschappijen

Wanneer er in de streek van Charleroi met de ontginning van steenkool werd begonnen, is niet met zekerheid vast te stellen. Het oudste document dat wijst op het bestaan van steenkoolmijnen in de regio dateert van 1251 en maakt melding van een akkoord tussen de abt van de abdij van Lobbes en de bisschop van Kamerijk, die ieder de helft bezaten van een mijn in Gilly. Rond 1770 – aan de vooravond van de industriële revolutie in ons land – waren er in de regio 32 grotere mijnexploitaties en daarnaast nog een heleboel kleinere putten, cayats genoemd. Deze cayats hadden meestal nauwelijks een diameter van 2 meter en bereikten een diepte van ‘slechts’ 40 meter. Vanaf het begin van de 19de eeuw volgde er dan een snelle expansie en ontstonden er op en rond deze cayats tal van nieuwe steenkoolmaatschappijen.

In 1830, het jaar van de Belgische onafhankelijkheid, waren er al 128 putten in de streek, waarvan de diepste al tot op 200 meter gingen.

Vanaf 1841 leidde een overproductie tot een daling van de steenkoolprijzen en tot een reeks faillissementen en overnames van bestaande maatschappijen. 

Een tijd van glorie en zwarte sneeuw

De steenkoolproductie in Le Pays Noir was op dat moment nog lang niet zo belangrijk als die in Le Centre of Le Borinage. Het steenkoolbekken van Charleroi was toen zelfs het minst productieve en al het meest verouderde van heel Henegouwen.

Deze situatie hield aan tot aan de Eerste Wereldoorlog, waarna een periode van grote welvaart aanbrak voor het steenkoolbekken van Le Pays Noir. In 1929 werkten er maar liefst 42.300 mijnwerkers in de regio Charleroi, goed voor een jaarlijkse productie van 7.763.000 ton. Op dat moment waren 26 maatschappijen samengesmolten tot de Association Charbonnières des Bassins de Charleroi et de la Basse-Sambre, die daarmee alle Belgische steenkoolbekkens qua jaarproductie overvleugelde.

De provincie Henegouwen was toen goed voor maar liefst 60 % van de totale Belgische steenkoolproductie. Een groot deel daarvan werd geëxporteerd naar het buitenland, onder meer naar Frankrijk, Nederland en Zwitserland.

Tegelijkertijd kwam er in ons land een toevloed van nieuwe energiebronnen op gang — zoals buitenlandse steenkool en olie — die tegen lagere en competitievere prijzen de Belgische steenkool begonnen te verdringen. Het gevolg was dat de Belgische steenkoolindustrie in de jaren dertig — net als de rest van de economie — in een diep dal terechtkwam en in een zware crisis belandde. Overproductie leidde opnieuw tot scherpe prijsdalingen en het verlies van talrijke arbeidsplaatsen.

In 1951 ondertekende België het E.G.K.S.-verdrag (E.G.K.S. staat voor ‘Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal’) waardoor met de vorming van een gemeenschappelijke markt voor deze producten de grenzen nog eer werden opengezet en de kolenprijzen verder gingen dalen. Het volgende jaar bereikte de Belgische steenkoolproductie een historisch hoogtepunt met 30,4 miljoen ton, waarvan 20,7 miljoen ton afkomstig was uit de Waalse bekkens en de rest uit de meer moderne Kempense steenkoolmijnen. 

Door wereldwijde concurrentie waren er echter tegen 1975 in Le Pays Noir nog amper vijf mijnzetels in werking. In de daaropvolgende jaren moesten ook deze één voor één de boeken neerleggen. 

Een munt als eerbetoon aan de mijnwerker

Wie herinnert zich nog de halve frank? Het rossige koperen muntje met de afbeelding van een gehelmde kompelsfiguur staat in het collectieve geheugen gegrift.


De munt van 50 centiem werd in 1952 in omloop gebracht als eerbetoon aan de mijnindustrie en haar arbeiders. Zij vormden immers de ruggengraat van de Belgische economie, zeker in de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen steenkool onmisbaar was voor de wederopbouw van het land.

Het beeld van de mijnwerker werd ontworpen door beeldhouwer Marcel Rau en verwijst naar de harde realiteit van het leven ondergronds en de rijke industriële geschiedenis van België.

Hoewel Rau instond voor het officiële ontwerp, vertoont het sterke gelijkenissen met het werk van Constantin Meunier, die bekend stond om zijn krachtige en realistische verbeelding van arbeiders.

Opmerkelijk is dat de introductie van de munt in 1952 samenvalt met het begin van de neergang van de Belgische steenkoolindustrie. Dat geeft het muntstuk achteraf gezien een extra symbolische lading: een eerbetoon op het moment dat een tijdperk langzaam ten einde liep.


        afbeelding

 

Het Hageland en de Zuiderkempen, achtergestelde maar werkwillige regio's

Met de geschiedenis als achtergrond is het beter te begrijpen waarom le Pays Noir zo interessant was voor onze regio. In de naoorlogse periode was er immers in het Hageland door allerlei omstandigheden nog steeds weinig (en goedbetaald) werk voorhanden. Arbeiders zochten dus elders hun heil. Historici en sociologen noemen dit fenomeen ‘arbeidsemigratie’. Tot de jaren zestig van de twintigste eeuw was het Hageland een echte seizoenarbeidersregio: een regio met hoofdzakelijk tijdelijke arbeidsmigratie.

afbeelding

Onder de kompels in de dagploeg van Le Bois du Cazier in Marcinelle waren er dus ook meer dan veertig Vlamingen. Ze waren allemaal afkomstig uit de Zuiderkempen en het Hageland. Deze mannen uit de streek tussen Aarschot en Heist-op-den-Berg waren in hun respectievelijke woonplaatsen opgehaald door de autocar-ondernemer Albert Goossens uit Berlaar.

De bus stopte aan het voormalige café ‘Het Kelderke’. Het café bestaat niet meer, maar was gelegen in de Kwetterstraat, ter hoogte van Kwetterstraat 13-15. Op het moment van de mijnramp woonde “Leonie van Het Kelderke”, de latere weduwe van Albert Van Hoof, in het gebouw.

Vooraleer ze ‘s ochtends om halfzes in de mijn waren gearriveerd, hadden de mannen er dus al vaak een busreis van ongeveer 100 km op zitten en ’s avonds – na om 15 uur terug te zijn bovengekomen en zich te hebben gewassen en opgeknapt – wachtte hen rond 16 uur een even lange reis terug. Het reisgeld voor deze verre verplaatsing werd aan de autocaronderneming betaald door de mijndirectie. 

 

Waarom deze mijnwerkers voor Marcinelle kozen, terwijl bijvoorbeeld Waterschei dichterbij was? Jules Mattheus zegt daar enkele weken na de ramp in De Haechtenaar (29-09-1956) het volgende over:

Op 30 augustus 1954 zijn we in Marcinelle begonnen. Daarvoor waren we in Waterschei aan de slag, waar tijdens augustus dat jaar het werk begon te slabakken. We moesten zelfs een dag in de week gaan doppen. Tussendoor ‘nepen’ ze aan ons pree en voor mannen die het groot geld gewoon zijn, was dat een zeer kwetsbaar punt. Ze namen het ons af op het ‘meterwerk’. Wij vielen van 400 fr. op 276 fr. voor hetzelfde werk, zelfs nog harder want als men meterwerk afslaat doet men nog een grotere ‘effort’ om dat verlies op te halen.” 

Het was dan ook niet verwonderlijk dat meerdere mijnwerkers niet twijfelden wanneer de directeur van Marcinelle in de streek campagne liet voeren om mijnwerkers te werven. Daar hadden ze personeel te kort en Vlamingen waren als noeste werkers gegeerd. De mijn betaalde 350 fr. daghuur en zonder ‘meterwerk’. In praktijk verdiende Jules 353 fr. per dag. Hij bleef er na de ramp werken.

Le Taille des Flamins

Jozef Caes had de meerderheid van deze Vlaamse mijnwerkers persoonlijk geronseld om in de mijn van Le Bois du Cazier in Marcinelle te komen werken. Men beweerde dat ondanks het feit dat de infrastructuur er slechter was, de lucht er ondergronds net wat beter was door de vettigere grond wat het risico op stoflongen verminderde. 

Bijna al deze kompels waren immers tot enkele jaren voordien in het Limburgse en Luikse bekken werkzaam geweest, maar waren op het aanlokkelijke voorstel van Caes ingegaan omdat de lonen in Le Pays Noir een beetje hoger waren dan in de andere mijnbekkens. Bijna alle Vlamingen werkten samen in dezelfde galerij op het niveau 715-795 meter. Het was daarom gekend als de Taille des Flamins, met o.a. Betekommenaren Jozef Baumans, Jozef Caes, Ferdinand Wouters, Ferdinand Aerts en Albert van Hoof. Ze stonden allemaal bekend als harde werkers maar zullen op 8 augustus 1956 niet huiswaarts keren. Het harde relaas van deze sombere dag wordt in een volgende aflevering behandeld.

In het weekend vroegen we onze vader dikwijls waarom zijn ogen zo zwart waren. En dan begon hij te vertellen. Hij zei dan dat hij in de mijn werkte om meer te verdienen maar dat ze gevaarlijk was omdat er veel gas was.[5]

(Amanda Wuyts, dochter van kompel Karel Wuyts)


De mijnramp van 8 augustus 1956 maakte 262 slachtoffers. Slechts 13 kompels overleefden de ramp. Karel Wuyts uit Betekom was één van hen. Hij zou gezegd hebben: “Er zal wel eens een ongeluk gebeuren. Maar jullie moeten niet bang zijn, want ik kom altijd terug”[6]. Zijn verhaal en dat van de anderen verdienen een aparte aflevering in deze reeks later op het jaar.

 

Museum

De mijn van Le Bois du Cazier in Marcinelle werd officieel gesloten op 15 januari 1961. Bij de sluiting en ontmanteling stuitten de mijnwerkers echter op een nieuwe, rijke laag steenkool en men ging opnieuw aan de slag. In december 1967 werd de mijn definitief opgedoekt. Door de vele buitenlandse doden, 167 in totaal waarvan het merendeel Italianen, kreeg de site internationale aandacht en stond ze symbool voor de slechte arbeidsomstandigheden en de immigratie en voor het rijke industrieel verleden van Wallonië. Of zoals ze het op de website van Le Bois du Cazier poëtisch schrijven: “La dureté du travail de ces “gueules noires” et ses dangers ont contribué à faire du pays de Charleroi une terre prospère (‘de zware arbeidsomstandigheden van de “zwarte smoelen” hebben bijgedragen tot de rijkdom van het land van Charleroi’). Zowel in België als in het buitenland gaf de ramp aanleiding tot een nooit geziene golf van solidariteit en emotie. Logischerwijze had de ramp ook (politieke en economische) gevolgen, waarover later meer. 

Gesloten in 1967 en sindsdien verwaarloosd, werd de 25 hectaren grote mijnsite pas jaren later aangepakt door la Région Wallonne mede dankzij de steun van de Europese Unie. Het museum werd in 2002 voor het grote publiek geopend als een plek waar de herinnering levend kan gehouden worden. Uiteindelijk werd de site in 2012 samen met drie andere sites, onder de naam 'belangrijkste mijnsites van Wallonië' op de werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst.

                                afbeelding            afbeelding

Volgende keer…

De volgende aflevering in deze reeks geeft antwoord op de vraag wat een steenkoolmijn precies is. We gaan hierbij dieper in op het geologische verhaal, de methode van ontginnen en de hoofrolspelers. 


Foto's: met dank aan Coll. Le Bois du Cazier



Links

[1] https://cagnet.be/files/original/52489/2013-rapport_arbeidsmigratie_geheel.pdf

[2] https://foliotijdschriften.wordpress.com/wp-content/uploads/2015/10/honderd-jaar-koopkracht-in-belgic3ab.pdf

[3] https://www.sfpd.fgov.be/nl/pensioenbedrag/berekening/verschillende-soorten-pensioenen/werknemers/lonen/forfaitaire-lonen#ForfaitairLoonMijnwerkersVoor1968

[4] Hagelands verschijnsel, november 2018

[5] https://www.cosimo.be/onsmijnverleden/de-mijnramp-van-marcinelle

[6] https://www.cosimo.be/onsmijnverleden/de-mijnramp-van-marcinelle